Biologische methoden voor het meten van luchtverontreiniging maken gebruik van (korst)mossen, planten en bomen.
Mossen en korstmossen (lichenen) hebben geen echte wortels, en halen dus hun voedingsstoffen uit de lucht in plaats van uit de bodem. Dit maakt hen extra gevoelig voor de stoffen die in de lucht aanwezig zijn. Korstmossen kunnen een indicatie geven van de aanwezigheid van zwaveldioxide (SO2) in de lucht. Daar zijn ze zeer gevoelig aan. Op plekken waar de lucht zuiver is, vind je er meer van, vooral de bladachtige of ‘sliertige’ soorten. Deze methode geeft je wel geen absolute concentraties van zwaveldioxide in de lucht.
Een andere type van biologische methode is om fijnstofdeeltjes te onderzoeken die aan bladeren van bomen of planten blijven hangen.
Bladeren analyseren: hoe werkt het?
Planten staan bloot aan de lucht, en dus ook aan stofdeeltjes, groot en klein. Een deel van het stof dat op de bladeren van planten terecht komt, bevat magnetiseerbare minerale deeltjes, vooral ijzeroxiden. Deze ijzeroxiden zijn o.a. gelinkt met de uitstoot door verkeer. De blaadjes worden na een tijdje weggeknipt, en in een laboratorium blootgesteld aan een magnetisch veld. Hierrdoor worden de ijzeroxiden magnetisch. Hoe hoger het magnetisch signaal dat daaruit voortkomt, hoe meer van deze ijzeroxiden er op het blaadje lagen.
Bladeren analyseren: een goed idee?
De concentratie van fijn stof nagaan via de blaadjes van een klimop- of aardbeienplantje. Het klinkt leuk in theorie, maar werkt het ook goed in de praktijk? Het antwoord is helaas: 'het is ingewikkeld'. Ten eerste gaat het bij deze techniek niet alleen over fijn stof (PM10), maar over het totale gehalte aan stof in de lucht. De magnetiseerbare deeltjes in dat stof bestaan vooral uit mineralen opwaaiend van de bodem, meegevoerd door de wind, afkomstig van het autoverkeer, of van trein- en tramsporten, verbrandingsovens, metaalverwerkende bedrijven, ... Binnen het totale stofgehalte varieert de verhouding tussen de magnetiseerbare deeltjes en het fijn stof sterk naargelang de omgeving. Dit bemoeilijkt het vergelijken van metingen uit verschillende omgevingen. Heel wat fijnstofdeeltjes, bijvoorbeeld van houtverbranding, spoor je niet op via deze methode.
Het is ook niet mogelijk om in te schatten of bepaalde concentraties aan magnetiseerbare mineralen ‘gezond’ of ‘niet gezond’ zijn. Daarvoor zijn geen officiële grenswaarden vastgelegd. De relatie tussen de hoeveelheid magnetiseerbare deeltjes en het gehalte aan fijn stof is immers niet bekend, en ook de directe relatie met de menselijke gezondheid is nog niet onderzocht. Men kent de grootte van de magnetiseerbare deeltjes niet, terwijl dát net belangrijk is: hoe kleiner, hoe gevaarlijker.
Is er dan niets goed aan dit soort metingen? Toch wel, het brengt mensen in contact met de wetenschap, en maakt hen bewust van het feit luchtvervuiling door het verkeer niet alleen via de uitlaat ontstaat. Het merendeel van de fijnstof uitstoot in het wegverkeer komt immers van slijtage van het wegdek, de banden en de remmen.
